ECLI:NL:CRVB:2023:2345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering terugwerkende kracht Wajong-uitkering wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante verzocht het UWV om een Wajong-uitkering met terugwerkende kracht vanaf haar achttiende levensjaar toe te kennen. Het UWV wees dit verzoek af, omdat de uitkering pas ingaat zestien weken na de datum van aanvraag. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de wet geen mogelijkheid biedt voor terugwerkende kracht bij Wajong-uitkeringen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat bijzondere omstandigheden haar verhinderden tijdig een aanvraag te doen en dat haar medische beperkingen door het UWV waren onderschat. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de wettelijke bepalingen van de Wajong duidelijk voorschrijven dat het recht op arbeidsondersteuning en inkomensondersteuning niet met terugwerkende kracht kunnen worden toegekend. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie ter onderbouwing.
De Raad concludeerde dat de rechtbank terecht het besluit van het UWV in stand heeft gelaten en dat appellante geen recht heeft op terugwerkende uitkering. Ook werd beslist dat appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt en het griffierecht niet wordt terugbetaald. De aangevallen uitspraak is daarmee bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen Wajong-uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen blijft in stand.