Appellant ontving bijstand tot 31 oktober 2020 en kreeg op 27 juli 2021 een besluit van het college waarin zijn bijstand over 2017-2019 werd ingetrokken en teruggevorderd wegens het niet verstrekken van verblijfgegevens in het buitenland. Appellant maakte op 28 september 2021 bezwaar, maar dit werd op 20 oktober 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar buiten de termijn zou zijn ingediend. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
Appellant stelde in hoger beroep dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit daadwerkelijk op 27 juli 2021 was verzonden, mede omdat het besluit niet aangetekend was en het college geen sluitende verzendregistratie had. Het college beriep zich op het feit dat appellant het besluit na zijn vakantie op 20 september 2021 in zijn brievenbus aantrof, wat volgens het college een contra-indicatie vormde dat het besluit op de genoemde datum was verzonden.
De Raad oordeelde dat het college ook in gevallen waarin het besluit wel ontvangen is, maar de verzenddatum wordt betwist, moet aantonen dat het besluit op die datum is verzonden. Het college voldeed hier niet aan. Hierdoor werd aangenomen dat het besluit kort voor 20 september 2021 is verzonden, zodat het bezwaar van 28 september 2021 tijdig was ingediend.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, en droeg het college op om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad mogelijk is.