ECLI:NL:CRVB:2023:227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot overmaking WW-uitkering naar beheerrekening onder beschermingsbewind
Appellante, die sinds 2016 onder beschermingsbewind staat, verzocht het UWV om haar WW-uitkering over de periode februari tot november 2019 over te maken naar haar beheerrekening, omdat de uitkering ten onrechte op haar leefgeldrekening was gestort. Het UWV wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Tevens werd een herhaald verzoek afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig was gepost en dat het herhaalde verzoek niet kon worden behandeld op inhoudelijke gronden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het bezwaar wel tijdig was ingediend en dat het herhaalde verzoek wel degelijk nieuwe omstandigheden bevatte.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd voor tijdige verzending van het bezwaar en dat de aangevoerde omstandigheden geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vormden. Het UWV had het recht het herhaalde verzoek af te wijzen op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken en wees de beroepen af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraken worden bevestigd.