ECLI:NL:CRVB:2023:2222
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering terugkomen van beëindiging Ziektewetuitkering wegens gebrek aan nieuwe feiten
Appellant, voormalig rolluikmonteur, ontving een Ziektewetuitkering die het UWV bij besluit van 22 juni 2017 beëindigde wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na diverse bezwaar- en beroepsprocedures verzocht appellant het UWV in 2021 terug te komen op dit besluit, onderbouwd met medische stukken over diabetes, heupklachten en hand- en vingerklachten.
Het UWV wees het verzoek af omdat geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de aangevoerde medische informatie of omstandigheden reeds bekend waren of niet relevant waren voor de beoordeling op 28 juli 2017.
De Raad concludeerde dat het UWV zorgvuldig en deugdelijk had gemotiveerd dat het eerdere besluit niet onjuist was en dat de weigering om terug te komen niet evident onredelijk was. Het hoger beroep werd verworpen, het eerdere besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering bleef in stand en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht weigerde terug te komen op het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens gebrek aan nieuwe feiten.