Na haar echtscheiding ontving appellante een bruidsgave van haar ex-echtgenoot. Het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal vorderde daarop een bedrag van € 4.138,81 aan kosten van bijstand terug, omdat de bruidsgave als naderhand verkregen middelen werd beschouwd. Appellante maakte bezwaar en stelde dat de bruidsgave niet als vermogen mocht worden aangemerkt en dat de terugvordering onterecht was.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat de aanspraak op de bruidsgave al bestond bij de peildatum van de bijstandverlening en dat de systematiek van de Participatiewet vereist dat de middelen worden teruggevoerd naar die datum. De bruidsgave is niet gelijk te stellen met partneralimentatie en de waarde van de munten bij aanvang is niet relevant.
Verder werd geoordeeld dat het college niet verplicht was alle door appellante opgegeven schulden mee te nemen, omdat niet aannemelijk was dat deze daadwerkelijk waren ontvangen of terugbetaald moesten worden. Ook andere beroepsgronden, zoals het niet horen van appellante en onevenredigheid van de terugvordering, werden verworpen. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en liet de terugvordering in stand.