ECLI:NL:CRVB:2023:1615

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 augustus 2023
Publicatiedatum
21 augustus 2023
Zaaknummer
21/2038 WMO15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:19 BWArt. 2:23c BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbinding appellante stichting

Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg heeft besluiten genomen waarbij het persoonsgebonden budget (pgb) van meerdere budgethouders niet langer bij de appellante stichting besteed mocht worden. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat werd afgewezen. Vervolgens stelde appellante beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. In hoger beroep stelde appellante zich op het standpunt dat de besluiten onrechtmatig waren.

Tijdens de zitting bij de Centrale Raad van Beroep bracht het college naar voren dat de appellante stichting inmiddels is ontbonden, de vereffening heeft plaatsgevonden en de stichting is uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De bestuurder van de B.V. die het bestuur van appellante vormde, bevestigde deze feiten.

De Raad oordeelde dat appellante ingevolge artikel 2:19 lid 1 sub a BW Pro is ontbonden en dat er geen verzoek tot heropening van de vereffening is gedaan. Hierdoor is appellante opgehouden te bestaan, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de appellante stichting is ontbonden en niet langer bestaat.

Uitspraak

21/2038 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 april 2021, 20/7323 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 16 augustus 2023

PROCESVERLOOP

Het college heeft bij besluiten van 20 februari 2020 de besluiten tot verstrekking van een persoonsgebonden budget (pgb) aan [naam] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] en [naam 10] (budgethouders) herzien, in die zin dat budgethouders hun pgb niet langer mogen besteden bij appellante.
Appellante heeft tegen de besluiten van 20 februari 2020 bezwaar gemaakt. Het college heeft bij beslissing op bezwaar van 17 juni 2020 (bestreden besluit) deze besluiten gehandhaafd.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. J. Witvoet, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Witvoet heeft zich als gemachtigde onttrokken.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 juli 2023. Verschenen is S. van Gorp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C.W. Smits, advocaat, en M.H.H. Ligtenberg.

OVERWEGINGEN

Samenvatting

Het hoger beroep is niet-ontvankelijk, omdat appellante niet langer bestaat.

Inleiding

1. Tijdens de zitting bij de Raad heeft het college naar voren gebracht dat appellante is opgehouden te bestaan, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
2. S. van Gorp is de bestuurder van [X] B.V. [X] B.V. was het bestuur van appellante. Van Gorp heeft tijdens de zitting verklaard dat [X] B.V. heeft besloten de stichting te ontbinden, dat de vereffening heeft plaatsgevonden en dat de stichting vervolgens is uitgeschreven uit het register van de Kamer van Koophandel.

Het oordeel van de Raad

3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Met het oog op wat er ter zitting is verklaard, is de stichting ingevolge artikel 2:19, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontbonden. Daar komt bij dat van Gorp niet heeft aangevoerd dat er een verzoek tot heropening van de vereffening op grond van artikel 2:23c, eerste lid, van het BW is gedaan. Dit betekent dat appellante is opgehouden te bestaan.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2023.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt