ECLI:NL:CRVB:2023:1605
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens niet duurzaam arbeidsongeschikt op beoordelingsdatum
Appellant vroeg op 22 januari 2019 een Wajong-uitkering aan, welke door het UWV werd afgewezen omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam werd geacht. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat appellant niet beschikte over basale werknemersvaardigheden.
In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen in stand liet en dat de beoordeling van duurzaamheid ook rekening moest houden met latere ontwikkelingen, waaronder een inmiddels toegekende Wajong-uitkering per 7 december 2021. De Centrale Raad oordeelde dat de beoordeling van duurzaamheid een inschatting betreft van de kansen op verbetering op het moment van aanvraag en dat latere ontwikkelingen niet relevant zijn voor die beoordeling.
De Raad bevestigde dat op 22 januari 2019 niet kon worden uitgesloten dat appellant mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou ontwikkelen, mede omdat behandelmogelijkheden toen nog openstonden. De latere toekenning van de Wajong-uitkering wijzigt niets aan deze beoordeling. Ook het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.
De Raad concludeerde dat appellant op de datum van aanvraag niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-uitkering op 22 januari 2019 wordt bevestigd.