ECLI:NL:CRVB:2017:1340
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving tot 28 januari 2011 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid door psychische klachten, die werd beëindigd omdat zijn arbeidsongeschiktheid toen minder dan 35% was. Na een periode van opname en behandeling stelde het UWV vast dat appellant functionele mogelijkheden had en dat deze op termijn zouden toenemen. Diverse besluiten van het UWV stelden de mate van arbeidsongeschiktheid vast tussen 35% en 39%, waarna appellant bezwaar maakte tegen verlaging van zijn uitkering.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond en wees verzoeken om schadevergoeding af. In hoger beroep betoogde appellant dat zijn beperkingen werden onderschat en dat hij vanaf diverse data volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, onderbouwd met medische verklaringen. Het UWV handhaafde zijn standpunt dat appellant benutbare mogelijkheden had en dat volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was op de data in geschil (19 juni 2012, 27 november 2013, 31 maart 2014). De medische informatie en prognoses van het UWV wezen op herstelkansen en tijdelijke terugvallen. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken en wees de verzoeken om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de IVA-uitkering omdat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.