ECLI:NL:CRVB:2023:1537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens niet doorlopen wachttijd van 104 weken
Appellante was werkzaam als verpakkingsmedewerkster en meldde zich op 17 februari 2014 ziek. Na beëindiging van haar dienstverband en diverse uitkeringen op grond van de Ziektewet en Werkloosheidswet, meldde zij zich op 7 maart 2017 opnieuw ziek vanuit de WW. Het UWV beëindigde haar ZW-uitkering per 30 augustus 2018 na een medische beoordeling waarbij zij geschikt werd geacht voor geselecteerde functies.
Appellante verzocht later om een WIA-uitkering vanwege verergerde klachten, maar het UWV wees deze aanvragen af omdat zij niet verzekerd was voor de WIA en de wachttijd van 104 weken niet was doorlopen. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep bevestigden deze afwijzing. De Raad oordeelde dat de hersteldverklaring van 30 augustus 2018 niet doorslaggevend is, maar dat uit het medisch dossier blijkt dat appellante niet onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest.
De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende medische onderbouwing heeft geleverd om het oordeel dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd te weerleggen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor een WIA-uitkering is terecht afgewezen omdat appellante de wachttijd van 104 weken niet heeft doorlopen.