ECLI:NL:CRVB:2013:1844
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.S. van der Kolk
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WIA-uitkering bij onderbreking wachttijd door hersteldverklaring
Betrokkene was jurist en meldde zich ziek op 26 september 2008. Na ontbinding van haar arbeidsovereenkomst ontving zij een Ziektewetuitkering. Na een operatie en herstel beëindigde appellant de ZW-uitkering per 4 december 2009, waarbij betrokkene als hersteld werd beschouwd.
Appellant stelde bij besluit van 17 september 2010 vast dat geen recht op WIA-uitkering bestond wegens het niet vervullen van de wachttijd van 104 weken, omdat betrokkene vóór het einde van die periode was hersteld verklaard. Het bezwaar werd ongegrond verklaard, waarbij opnieuw de hersteldverklaring werd aangevoerd.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende een zelfstandige beoordeling had gemaakt van de wachttijd en het bestreden besluit onzorgvuldig was. In hoger beroep stelde appellant dat hij ook andere gegevens had betrokken, maar geen aanwijzingen vond voor hernieuwde arbeidsongeschiktheid na 4 december 2009. De Raad concludeerde dat de eerdere beoordeling onvolledig was, maar volgde appellant in de conclusie dat de wachttijd niet opnieuw was gaan lopen en handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit.
De Centrale Raad veroordeelde appellant in de proceskosten van betrokkene en bepaalde griffierechten. De uitspraak bevestigt het belang van een volledige en zorgvuldige beoordeling van de wachttijd bij WIA-uitkeringen, ook bij onderbrekingen door hersteldverklaringen.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand; betrokkene heeft geen recht op WIA-uitkering.