ECLI:NL:CRVB:2020:2838
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellante, laatst werkzaam als verpakkingsmedewerkster, meldde zich in 2014 ziek met psychische klachten en ontving sindsdien ziekengeld. Na een eerste beoordeling in 2015 werd vastgesteld dat zij geen recht meer had op ziekengeld omdat zij geschikt werd geacht voor andere functies. In 2018 vond een nieuwe beoordeling plaats waarbij de verzekeringsarts opnieuw concludeerde dat appellante geschikt was voor de maatgevende arbeid, waarna het Uwv haar ziekengeld beëindigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar beperkingen inzichtelijk had gemotiveerd. Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen waren onderschat en dat het onderzoek niet zorgvuldig was, mede vanwege toegenomen klachten en medicatiebijwerkingen.
De Raad oordeelde dat het onderzoek adequaat en actueel was, dat de verzekeringsarts appellante zelf had onderzocht en dat alle klachten waren meegewogen. Er waren geen aanwijzingen dat de beoordeling onjuist was. De Raad bevestigde dat de beperkingen van appellante haar niet verhinderen om de maatgevende arbeid te verrichten en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd omdat appellante geschikt is voor maatgevende arbeid.