ECLI:NL:CRVB:2023:1403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkeringsweigering na toegenomen psychische klachten
Appellant, die sinds oktober 2012 psychische klachten heeft en als beheerder van een fietsenstalling werkte, vroeg in november 2018 om een WIA-uitkering wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het UWV weigerde deze uitkering omdat de beperkingen niet significant waren toegenomen binnen vijf jaar na de eerdere beoordeling in 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende was, ondanks dat appellant tijdens het primaire onderzoek en bezwaar niet volledig medisch werd onderzocht. In hoger beroep erkende het UWV een zorgvuldigheidsgebrek omdat appellant niet door een verzekeringsarts was onderzocht, maar dit werd hersteld door een aanvullend spreekuur in september 2022.
De verzekeringsarts concludeerde dat er geen aanleiding was het eerdere oordeel te wijzigen. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek na het aanvullende spreekuur voldoende zorgvuldig en volledig was. De nieuwe medische informatie van appellant bood geen aanleiding tot twijfel aan de eerdere conclusies.
Het zorgvuldigheidsgebrek werd gepasseerd omdat het UWV het alsnog herstelde en appellant niet benadeeld was. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WIA-uitkering per 6 november 2018 wordt bevestigd.