ECLI:NL:CRVB:2023:1339
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
Werkneemster was werkzaam als uitvaartverzorgster en meldde zich op 28 mei 2018 ziek. Zij vroeg op 7 februari 2020 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant, werkgever, niet voldeed aan zijn re-integratieverplichtingen omdat hij niet tijdig de gevraagde aanvullende onderdelen van het re-integratieverslag had aangeleverd. Hierdoor werd een loonsanctie opgelegd waarbij de werkgever het loon moest doorbetalen tot 24 mei 2021.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond. De werkgever had geen plan van aanpak, evaluaties, probleemanalyse of medische informatie tijdig verstrekt en had onterecht gewacht op een kantonrechterlijk vonnis over het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Ook werden onvoldoende re-integratieactiviteiten in het eerste en tweede spoor ondernomen, wat door een arbeidsdeskundige werd bevestigd.
In hoger beroep stelde appellant dat de beoordeling onjuist was omdat een verzekeringsarts niet was betrokken en dat werkneemster geen benutbare mogelijkheden had. De Raad oordeelde dat het zwaartepunt van de beoordeling bij de arbeidsdeskundige ligt en dat er geen verschil van inzicht bestond dat een verzekeringsarts noodzakelijk maakte. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: De loonsanctie wordt bevestigd omdat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.