ECLI:NL:CRVB:2023:128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte berekening dagloon bij WIA-uitkering ondanks loonbetaling na referteperiode
Appellant was werkzaam als magazijnmedewerker en meldde zich op 2 juli 2018 ziek vanwege psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit van 19 juni 2020 een IVA-uitkering vast met een dagloon berekend over twintig dagloondagen in de periode van 4 juni tot en met 30 juni 2018. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon, met name omdat het loon van 3 juli 2018 niet was meegenomen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht uitging van het aantal dagloondagen en niet van het aantal daadwerkelijk gewerkte dagen. Tevens werd geoordeeld dat de loonbetaling van 3 juli 2018 niet in de dagloonberekening kon worden betrokken, omdat niet was aangetoond dat dit loon in de referteperiode vorderbaar maar niet inbaar was.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere overwegingen. De Raad benadrukte dat artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit restrictief moet worden uitgelegd en dat appellant niet had aangetoond dat hij de werkgever op niet mis te verstane wijze had gemaand tot betaling binnen de referteperiode. De loonbetaling na de referteperiode mocht daarom niet worden meegerekend.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd appellant vrijstelling van griffierecht verleend vanwege zijn financiële situatie.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de berekening van het dagloon door het UWV wordt bevestigd.