Appellanten ontvingen bijstand vanaf 22 juli 2014. Het college stelde na onderzoek vast dat zij handelsactiviteiten verrichtten via Marktplaats, wat zij niet hadden gemeld, en trok de bijstand in met terugvordering van de kosten over de periode 22 juli 2014 tot 28 februari 2018.
De Raad oordeelde dat de handelsactiviteiten in de periode tot 1 november 2017 geen incidentele verkoop van privégoederen waren maar handel, en dat appellanten de inlichtingenverplichting schonden. Voor de periode vanaf 1 november 2017 tot 5 april 2018 was er echter onvoldoende bewijs van handelsactiviteiten, waardoor intrekking en terugvordering voor die periode niet gerechtvaardigd waren.
Verder werd vastgesteld dat kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van appellanten als inkomen moeten worden aangemerkt, ook als deze gelden leningen van familie betreffen. Het college moet een nieuwe beslissing nemen over het recht op bijstand in de latere periode, waarbij rekening wordt gehouden met deze inkomsten.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de intrekking en terugvordering over de latere periode betreft, veroordeelde het college in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed. Het college krijgt opdracht een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak.