ECLI:NL:CRVB:2022:907
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant, gescheiden en met twee kinderen, vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuis- en inrichtingskosten na verhuizing naar een zelfstandige woning. Het college wees de aanvraag af omdat de verhuizing niet plotseling was en appellant voldoende mogelijkheden had om te reserveren. De rechtbank oordeelde dat de kosten niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn inkomen te laag was om te reserveren, mede omdat de kinderbijslag en het kindgebonden budget aan zijn ex-partner werden toegekend.
De rechtbank stelde wel dat het college het motiveringsgebrek in het besluit moest herstellen, wat later gebeurde. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en voerde aan dat het ouderschapsplan en het ontbreken van afspraken over kinderbijslag en kindgebonden budget bijzondere omstandigheden vormden. De Raad oordeelde dat deze argumenten onvoldoende waren om het eerdere oordeel te wijzigen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep af, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet kon reserveren en dat er bijzondere omstandigheden waren die bijzondere bijstand rechtvaardigden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wordt bevestigd.