ECLI:NL:CRVB:2022:307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek arbeidsongeschiktheidsbesluit uit 1995
Appellant ontvangt sinds 1992 een arbeidsongeschiktheidsuitkering en was van 7 december 1992 tot 1 juni 1995 volledig arbeidsongeschikt. Het UWV stelde bij besluit van 22 maart 1995 de arbeidsongeschiktheid vast op 35 tot 45% vanaf 1 juni 1995. Appellant maakte geen bezwaar tegen dit besluit. In 2011 en opnieuw in 2019 verzocht appellant het UWV om herziening van dit besluit, onderbouwd met een brief van zijn huisarts uit 2000 waarin volledige arbeidsongeschiktheid wordt gesteld voor de periode 1995-1996.
Het UWV wees het verzoek af omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de brief van de huisarts wel een nieuw feit vormde en dat het besluit evident onredelijk was vanwege de financiële gevolgen en onjuistheid.
De Raad oordeelt dat de brief van de huisarts geen nieuw feit is, omdat deze al eerder was ingebracht en geen concrete medische onderbouwing bevat. Ook is onvoldoende gebleken dat het oorspronkelijke besluit onjuist of evident onredelijk is. De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om niet terug te komen op het arbeidsongeschiktheidsbesluit van 1995 wordt bevestigd.