ECLI:NL:CRVB:2022:293
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek om verlenging diplomatermijn studiefinanciering ten onrechte afgewezen wegens detentie
Betrokkene ontving vanaf 1 september 2009 studiefinanciering voor een universitaire bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid. Vanwege voorlopige hechtenis van oktober 2013 tot augustus 2018 werd zijn inschrijving beëindigd en kon hij niet studeren. Hij verzocht in september 2018 om verlenging van de diplomatermijn met 60 maanden vanwege deze detentie.
De minister wees dit verzoek af met het argument dat detentie, als gevolg van eigen handelen, geen bijzondere omstandigheid is volgens artikel 5.16 Wsf 2000. De rechtbank Gelderland vernietigde dit besluit en verlengde de diplomatermijn met 59 maanden, stellende dat de onderwijsinstelling een zorgvuldige en consistente verklaring had afgegeven waaruit het causale verband bleek.
In hoger beroep handhaafde de minister zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de wet geen uitsluiting bevat voor bijzondere omstandigheden die voortkomen uit eigen handelen. De Raad stelde vast dat detentie het studeren feitelijk onmogelijk maakte en dat de onderwijsinstelling het causale verband voldoende had onderbouwd.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de minister ongegrond en veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het verzoek om verlenging van de diplomatermijn studiefinanciering wegens detentie wordt toegewezen en het bestreden besluit van de minister wordt vernietigd.