Appellant ontving bijstand van juni 2008 tot oktober 2012, die op eigen verzoek werd beëindigd vanwege voldoende inkomsten uit een onderneming. Tijdens een politieonderzoek in mei 2012 werd een groot geldbedrag in zijn woning aangetroffen en in beslag genomen. Dit leidde tot een onderzoek door het college naar het recht op bijstand, waarna bij besluit van maart 2018 de bijstand over een eerdere periode werd ingetrokken en teruggevorderd.
Appellant verzocht in oktober 2018 het college terug te komen van dit besluit, maar dit verzoek werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het besluit evident onredelijk was, onder meer vanwege verjaring en onvolledigheid van het dossier.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit onbevoegd was genomen door een algemeen directeur namens het college, maar dat dit bevoegdheidsgebrek werd gepasseerd omdat het college het besluit alsnog voor zijn rekening nam. De inhoudelijke gronden van appellant faalden omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die herziening rechtvaardigden. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de proceskosten werden aan het college opgelegd.