Appellant was werkzaam tot april 2017 en ontving daarna een WW-uitkering, gevolgd door een Ziektewetuitkering en een WIA-uitkering. Het UWV stelde het dagloon voor de WIA-uitkering vast zonder de achteraf betaalde WW-uitkering over mei 2017 mee te rekenen, wat appellant betwistte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV de dagloonberekening juist had uitgevoerd volgens het Dagloonbesluit en de loon-in-systematiek. Appellant voerde hoger beroep en stelde dat het Dagloonbesluit buiten toepassing moest worden gelaten omdat het dagloon niet de werkelijke welvaartspositie weerspiegelt.
De Raad overwoog dat het Dagloonbesluit en de loon-in-systematiek, waarbij loon wordt toegerekend aan het aangiftetijdvak van de loonaangifte, een politiek-bestuurlijke keuze zijn die de rechter terughoudend toetst. De Raad verwierp de argumenten van appellant over schending van het EVRM, waaronder het eigendomsrecht en discriminatieverbod.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de loon-in-systematiek toepast en dat het niet aan de rechter is om de regeling aan te passen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.