ECLI:NL:CRVB:2015:2642
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- E.C.R. Schut
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Onredelijk laat ingesteld verzoek om dwangsom bij bijstandsverlening
Appellant ontving sinds 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een controle verzocht het college informatie, waarop appellant niet volledig reageerde, wat leidde tot opschorting en beëindiging van de bijstand in november en december 2012. Na het alsnog aanleveren van gegevens werd de bijstand per 31 december 2012 hervat.
Appellant stelde het college in augustus 2013 in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar tegen de beëindiging van de bijstand en vorderde een dwangsom. Het college wees dit af wegens onredelijk late ingebrekestelling. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen dit besluit ontvankelijk en vernietigde het besluit, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders.
De Raad stelt dat het besluit van 31 oktober 2013 wel rechtsgevolg had en dat appellant belang hield bij een beslissing op bezwaar, onder meer vanwege het verzoek om vergoeding van rechtsbijstandskosten. Echter, de ingebrekestelling van 29 augustus 2013 was ruim vier maanden na het verstrijken van de beslistermijn, wat onredelijk laat is. Appellant had eerder contact moeten zoeken met het college, zeker omdat de bijstand al was hervat. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en wordt het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onredelijk late ingebrekestelling en het college wordt veroordeeld in proceskosten.