ECLI:NL:CRVB:2022:2686
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, laatstelijk werkzaam als metaalwerker, meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en weigerde de uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar het UWV handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de geselecteerde functies passend.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd had geoordeeld en dat de verzekeringsartsen niet onpartijdig waren. De Raad overwoog dat het aan de bestuursrechter is om te beoordelen of het onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd is, en dat het enkele feit dat artsen in dienst zijn van het UWV geen reden is om hun oordeel te betwijfelen. De Raad bevestigde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de functies passend zijn.
Daarnaast werd ook de weigering van een Ziektewet-uitkering per 24 augustus 2020 bevestigd, omdat appellant geschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Appellant leverde geen nieuwe medische informatie aan die tot twijfel aan de beoordeling kon leiden. De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de aangevallen uitspraken van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA- en Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en passende functies.