ECLI:NL:CRVB:2022:2618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen ANW-uitkering wegens ontbreken duurzame band ingezetene met Nederland
Appellante, woonachtig in Marokko, verzocht om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot in Nederland. De echtgenoot, met Nederlandse nationaliteit, had sinds 1966 in Nederland gewoond, maar schreef zich in 2015 uit bij de basisregistratie personen en vertrok naar Marokko, waar hij in 2016 met appellante trouwde. Hoewel hij zich in december 2016 opnieuw inschreef in Nederland, oordeelde de Sociale verzekeringsbank (Svb) dat hij op het moment van overlijden geen ingezetene was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland bestond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de band nooit verbroken was of na terugkeer in Nederland was herleefd, onder meer vanwege inschrijving in de brp, bankrekening, medische zorg en familiebanden.
De Raad stelde vast dat de echtgenoot vanaf 2015 geen duurzame woonruimte in Nederland had, zich uitschreef en zich definitief in Marokko vestigde. Zijn inschrijving in Nederland in 2016 en medische zorg waren onvoldoende om ingezetenschap te herstellen. De Raad concludeerde dat de echtgenoot op datum van overlijden geen ingezetene was en dus niet verzekerd was voor de ANW, waardoor appellante geen recht op uitkering heeft.
Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een ANW-uitkering omdat haar echtgenoot op het moment van overlijden geen ingezetene van Nederland was.