ECLI:NL:CRVB:2022:2485
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzonder geval voor terugwerkende WAO-uitkering afgewezen
Appellant ontving een WAO-uitkering die sinds 2008 was vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%. Na een wijziging in zijn gezondheid in 2019 vroeg appellant om een herbeoordeling, waarna het UWV de uitkering per 2 oktober 2018 verhoogde naar 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Appellant stelde dat deze verhoging vijf jaar terugwerkende kracht moest krijgen, omdat hij vanwege medische redenen niet eerder een aanvraag kon indienen en het UWV geen herbeoordelingsformulier had toegezonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 35, tweede lid, WAO. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij vanwege zijn medische situatie niet in staat was om eerder een aanvraag te doen. Ook was er geen wettelijke verplichting voor het UWV om binnen vijf jaar een herbeoordeling te verrichten.
De Raad concludeerde dat de WAO-uitkering terecht niet eerder dan een jaar voor de aanvraag is verhoogd en wees het verzoek om schadevergoeding af. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De WAO-uitkering van appellant wordt niet met terugwerkende kracht van vijf jaar verhoogd; de verhoging geldt vanaf één jaar voor de aanvraag.