ECLI:NL:CRVB:2022:2330

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 oktober 2022
Publicatiedatum
31 oktober 2022
Zaaknummer
20 / 1898 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens herroeping boete door college

In deze zaak stond het hoger beroep van appellant tegen een boetebesluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg centraal. Het college had op 21 mei 2019 een boete van €711,83 opgelegd, welke na bezwaar op 22 augustus 2019 werd gehandhaafd. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Tijdens de mondelinge behandeling op 18 oktober 2022 was appellant en zijn gemachtigde niet aanwezig. Het college liet zich vertegenwoordigen door mr. N.C.J.P. Melsen. Ter zitting deelde het college mee dat het bestreden besluit en de boete niet langer worden gehandhaafd omdat deze niet op een deugdelijke grondslag berusten. Hiermee heeft het college het besluit van 21 mei 2019 herroepen.

Door deze herroeping is het belang van appellant bij een beoordeling van het hoger beroep komen te vervallen. De Centrale Raad van Beroep verklaarde daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van bezwaar en proceskosten van appellant, begroot op in totaal €2.059,-. Het college moet ook het betaalde griffierecht van €178,- aan appellant vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege herroeping van de boete door het college.

Uitspraak

20.1898 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 april 2020, 19/5074 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 18 oktober 2022
Zitting hebben: F. Hoogendijk, als voorzitter en M.F. Wagner en J.J. Janssen als leden
Griffier: B. Beerens
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2022.
Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C.J.P. Melsen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.059,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
In geding is het besluit van 22 augustus 2019, waarbij het college het besluit van 21 mei 2019, na bezwaar van appellant daartegen, heeft gehandhaafd. Bij dat besluit heeft het college appellant een boete opgelegd van € 711,83.
Ter zitting heeft het college meegedeeld dat hij het bestreden besluit en de boete van € 711,83 niet langer handhaaft omdat die niet op een deugdelijke grondslag berusten
.Dat betekent dat het college het besluit van 21 mei 2019 heeft herroepen.
Gelet op het voorgaande is het belang van appellant bij een beoordeling van het hoger beroep daaraan komen te ontvallen. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van bezwaar en de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 541,- in bezwaar, op € 759,- in beroep en op € 759,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.059,-.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) B. Beerens (getekend) F. Hoogendijk