Appellante ontving op grond van de Wmo 2015 een financiële tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting van het college Amsterdam. Het college trok deze maatwerkvoorziening in nadat zij een bedrag van € 4.000,- had ontvangen van haar voormalige verhuurder als vertrekpremie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het bedrag van de verhuurder tot haar vermogen behoort en dat het college geen rekening mag houden met haar financiële mogelijkheden bij intrekking van de maatwerkvoorziening.
De Raad oordeelt dat het college niet bevoegd was om de maatwerkvoorziening in te trekken op grond van artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015, omdat de wet geen ruimte biedt om bij intrekking rekening te houden met de financiële situatie van de aanvrager. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het intrekkingsbesluit. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten.