ECLI:NL:CRVB:2022:22

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 januari 2022
Publicatiedatum
4 januari 2022
Zaaknummer
20/4396 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77a WWArt. 8 WW
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering startperiode zelfstandige en vrijlaten uren WW-uitkering

Appellant ontving een WW-uitkering vanaf 3 september 2018, die later werd ingetrokken nadat bleek dat zijn voormalige werkgever het loon doorbetaalde terwijl hij was vrijgesteld van werkzaamheden. Vervolgens werd per 1 juli 2019 opnieuw een WW-uitkering toegekend. Appellant verzocht om toestemming voor een startperiode als zelfstandige met behoud van zijn WW-uitkering en om vrij te laten uren voor zelfstandige werkzaamheden voorafgaand aan zijn werkloosheid.

Het UWV weigerde deze verzoeken omdat appellant al als zelfstandige werkte voordat de startperiode zou ingaan en omdat de uren die hij als zelfstandige werkte tijdens zijn vrijstelling niet in aanmerking konden worden genomen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht handelde op grond van artikel 77a en artikel 8 van Pro de WW.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn zelfstandige werkzaamheden pas na 1 juli 2019 begonnen en dat de vrij te laten uren moeten worden berekend vanaf 26 weken voorafgaand aan 1 juli 2019. De Raad onderschreef de eerdere overwegingen en oordeelde dat appellant geen recht heeft op de startperiode of vrij te laten uren, omdat hij reeds als zelfstandige actief was en geen onderbouwing leverde voor zelfstandige werkzaamheden vóór zijn dienstbetrekking.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van het UWV om een startperiode zelfstandige en vrij te laten uren toe te kennen wordt bevestigd.

Uitspraak

20 4396 WW

Datum uitspraak: 4 januari 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van
3 november 2020, 20/802 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 13 december 2021. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 5 september 2018 heeft het Uwv aan appellant een Werkloosheidswet(WW)-uitkering toegekend met ingang van 3 september 2018. Ook heeft het Uwv bij besluit van 18 januari 2019 aan appellant een startperiode als zelfstandige verleend voor de periode van 14 januari 2019 tot en met 14 juli 2019. Bij besluit van 28 maart 2019 heeft het Uwv de aan appellant toegekende WW-uitkering ingetrokken, nadat was gebleken dat appellants voormalige werkgever [BV] het loon doorbetaalde in de periode van 3 september 2018 tot 1 juli 2019. In deze periode was appellant vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden.
1.2.
Bij besluit van 28 juni 2019 heeft het Uwv een WW-uitkering aan appellant toegekend met ingang van 1 juli 2019.
1.3.
Appellant heeft het Uwv vervolgens verzocht om toestemming om werkzaamheden te verrichten als zelfstandige in het kader van een startperiode als zelfstandige met behoud van zijn WW-uitkering. Bij besluit van 13 augustus 2019 (primair besluit I) heeft het Uwv deze toestemming geweigerd, omdat appellant al werkte als zelfstandige.
1.4.
Appellant heeft het Uwv tevens verzocht om de voorafgaand aan zijn werkloosheid naast zijn dienstbetrekking gewerkte uren als zelfstandige vrij te laten in het kader van zijn WWuitkering. Bij besluit van 6 september 2019 (primair besluit II) heeft het Uwv beslist dat appellant geen recht heeft op het vrijlaten van gewerkte uren als zelfstandige, omdat geen rekening mag worden gehouden met de uren die appellant werkte als zelfstandige in de periode dat hij door zijn voormalig werkgever was vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 19 december 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 13 augustus 2019 en 6 september 2019 ongegrond verklaard.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich op het standpunt mocht stellen dat appellant geen gebruik kan maken van de startperiode als bedoeld in artikel 77a van de WW, omdat hij al werkte als zelfstandige voorafgaand aan het ontvangen van een WW-uitkering per 1 juli 2019. Daarmee was niet voldaan aan de voorwaarde in artikel 77a, aanhef en onder b, van de WW. Volgens de rechtbank heeft het Uwv zich daarbij mogen baseren op een door appellant in de bezwaarfase overgelegd overzicht van gewerkte uren, waaruit blijkt dat hij al werkte als zelfstandige vanaf week 1 tot en met week 26 van 2019, op een getuigschrift waaruit blijkt dat appellant van 10 januari 2019 tot 11 mei 2019 op zzp-basis werkzaam is geweest en op urenfacturaties die betrekking hebben op de weken 1 tot en met 20 van 2019. De omstandigheid dat aan appellant in een eerder stadium een WW-uitkering is toegekend en dat deze vervolgens weer is ingetrokken, doet er niet aan af dat appellant in het kader van de per 1 juli 2019 toegekende WW-uitkering niet voldoet aan de voorwaarden voor een startperiode. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de intrekking niet te wijten is aan het Uwv, nu deze een gevolg is van de eigen keuze van appellant om een civielrechtelijke procedure te voeren over het einde van het dienstverband bij zijn voormalig werkgever [BV]
2.2.
Over de vraag of appellant recht heeft op het vrijlaten van gewerkte uren als zelfstandige, heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de periode van 26 weken voorafgaand aan 1 september 2018 van belang is, omdat niet in geschil is dat appellants werkzaamheden in dienstbetrekking zijn geëindigd op genoemde datum. Nu enkel de gewerkte uren als zelfstandige in de periode van 26 weken voor 1 september 2018 kunnen worden vrijgesteld, heeft appellant geen recht op het vrijlaten van gewerkte uren als zelfstandige in de periode van week 1 tot en met week 26 van 2019, toen hij op non-actief was gesteld door zijn voormalig werkgever. Appellant heeft zijn stelling dat hij ook reeds werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige in de periode voor 1 september 2018 op geen enkele wijze onderbouwd en voor deze stelling is ook geen steun te vinden in de dossierstukken.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij op 8 augustus 2019 is begonnen met werkzaamheden waarvoor appellant een startperiode had aangevraagd. Op 1 juli 2019 hadden deze werkzaamheden dus nog geen aanvang genomen. Appellant is dan ook van mening dat hij op grond hiervan recht heeft op een startperiode. Daarnaast heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat er voor wat betreft de vrij te laten uren gekeken moet worden naar de periode van 26 weken voorafgaand aan de ingangsdatum van zijn WW-datum op 1 juli 2019. Het feit dat appellant was vrijgesteld van werk doet niet af aan zijn hoedanigheid van werknemer.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor de van toepassing zijnde wettelijke regelgeving wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
4.2.
Ter beoordeling ligt voor of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen gebruik kan maken van de startperiode als bedoeld in artikel 77a, van de WW en geen recht heeft op vrij te laten uren als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de WW.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de startperiode zelfstandige en het vrijlaten van uren is in essentie een herhaling van de gronden die in bezwaar en beroep zijn aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant uitvoerig besproken en heeft genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, die in lijn zijn met de uitspraken van de Raad van 4 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:627, en van 4 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1042, worden geheel onderschreven.
4.4.
De overwegingen in 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van A.A.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2022.
(getekend) S. Wijna
(getekend) A.M.M. Chevalier