Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de WW-uitkering met ingang van 11 februari 2011.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving een WW-uitkering en wilde een schoonmaakbedrijf starten. Het UWV verleende haar toestemming om gedurende een onderzoeksperiode van 17 januari tot 1 maart 2013 haar plannen te onderzoeken, met de nadruk dat zij in die periode geen echte ondernemersactiviteiten mocht verrichten.
Ondanks deze afspraak had appellante al twee opdrachtgevers, een online website en was zij ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Op grond hiervan weigerde het UWV op 5 februari 2013 toestemming voor de startersregeling en kondigde intrekking van de WW-uitkering aan.
Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de activiteiten van appellante reeds als zelfstandige werkzaamheden konden worden aangemerkt.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de WW-uitkering, omdat hierover nog geen uitspraak van de rechtbank was gedaan. Voor het overige bevestigde de Raad de eerdere uitspraak en de weigering van toestemming voor de startersregeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk voor het deel over intrekking WW-uitkering en de weigering van toestemming voor de startersregeling wordt bevestigd.