Uitspraak
19 258 ZW, 20/1280 ZW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als beveiliger, meldde zich ziek met klachten zoals hoofdpijn, concentratieproblemen en vermoeidheid. Het Uwv kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze later omdat zij volgens een arbeidsdeskundige nog 69,71% van haar maatmaninkomen kon verdienen met aangepaste functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren meegenomen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het Uwv haar problematiek onderschatte, onderbouwd met medische rapporten, waaronder een diagnose ME/CVS.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat het Uwv voldoende rekening had gehouden met de medische beperkingen. De Raad stelde dat de medische informatie en arbeidskundige rapporten voldoende inzicht en motivatie boden om de geschiktheid voor de geselecteerde functies te bevestigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de bestreden besluiten bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bestreden besluiten tot beëindiging van het ziekengeld worden bevestigd.