ECLI:NL:CRVB:2022:1912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot terugwerkende Wajong-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan met ingang van 1 april 2018, terwijl de aanvraag pas op 1 april 2019 werd ingediend. Het UWV kende de uitkering toe met terugwerkende kracht van één jaar, maar wees verder terugwerkende kracht af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, Wajong.
Appellante voerde aan dat zij pas in 2018 inzicht kreeg in haar ernstige arbeidsongeschiktheid en dat zij niet op de hoogte was van de Wajong-regeling. Ook stelde zij dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige had benoemd en dat het onderzoek onzorgvuldig was. Het UWV handhaafde het besluit.
De Raad oordeelde dat volgens vaste rechtspraak een bijzonder geval alleen aanvaard wordt als betrokkene redelijkerwijs niet in verzuim kan worden gesteld, bijvoorbeeld doordat pas later inzicht ontstond in de ernst van de aandoening. Onbekendheid met de regeling is geen bijzonder geval. Uit medische stukken en het dossier blijkt dat appellante al lang voor de aanvraag bekend was met haar aandoeningen en beperkingen. Ook het feit dat zij al jaren een bijstandsuitkering ontvangt en vrijstelling van sollicitatieplicht had, wijst op voldoende inzicht.
De Raad vond geen schending van het beginsel equality of arms en zag geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugwerkende kracht van de Wajong-uitkering blijft beperkt tot één jaar voor de aanvraagdatum.