ECLI:NL:CRVB:2022:1885
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid volledige arbeidsongeschiktheid op grond van Wet WIA
Appellant was werkzaam als test analist en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na een aanvraag op grond van de Wet WIA stelde het UWV een mate van arbeidsongeschiktheid vast van 49,96% met recht op een loongerelateerde WGA-uitkering vanaf 1 november 2018. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarna aanvullende medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijsten (FML) werden opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat appellant volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt was, met een berekende arbeidsongeschiktheid van 45,86% op basis van duurzame beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en motiveerde dat de verzekeringsarts voldoende concreet had onderbouwd waarom de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de motivering onvoldoende was en overhandigde een rapport van een onafhankelijke verzekeringsarts die meer beperkingen stelde. Het UWV reageerde met een tegenrapport.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een concrete en inzichtelijke beoordeling had gegeven, waarbij rekening was gehouden met de medische situatie en prognoses. De Raad verwierp de stellingen van appellant over extra beperkingen en bevestigde dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard; appellant is volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt per 1 november 2018.