ECLI:NL:CRVB:2022:1801
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging theoretische loonwaardeschatting bij WIA-uitkering wegens niet-representatief loon
Betrokkene was werkzaam als medewerker contractbeheer/projectadministratie en later als boekhouder bij een werkgever. Na ziekmelding met psychische klachten werd zij gedeeltelijk gere-integreerd en kreeg een WIA-uitkering toegekend op basis van een praktische loonwaardeschatting van haar feitelijk verrichte werkzaamheden als boekhouder.
Het UWV stelde bij bezwaar een lagere loonwaarde vast op basis van een functie uit het cao-functieboek, wat leidde tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en oordeelde dat het UWV onjuist had gehandeld door een fictieve loonwaarde te gebruiken in plaats van een theoretische schatting toe te passen, omdat het feitelijke loon niet representatief was.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad benadrukte dat een praktische schatting alleen mogelijk is als de genoten verdiensten representatief zijn voor de resterende verdiencapaciteit en de werkzaamheden duurzaam zijn. Omdat het loon te hoog en niet representatief was, moest een theoretische schatting worden toegepast. Het hoger beroep van het UWV werd afgewezen en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat een theoretische loonwaardeschatting moet worden toegepast omdat het feitelijk verdiende loon niet representatief is.