ECLI:NL:CRVB:2022:1706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band ingezetenschap Nederland
Appellante vroeg kinderbijslag aan voor haar kinderen, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat zij op 1 januari 2020 en 1 april 2020 nog geen ingezetene van Nederland was. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat er geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland bestond op die data.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij sinds december 2019 in Nederland verbleef, direct op zoek was gegaan naar woonruimte en haar kinderen had ingeschreven op school. De Svb stelde daartegenover dat appellante nog maar kort in Nederland was, geen eigen woonruimte had, niet werkte, de taal niet beheerste en geen familie in Nederland had.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. Volgens vaste jurisprudentie is voor ingezetenschap een duurzame persoonlijke band met Nederland vereist, waaronder het beschikken over een duurzaam ter beschikking staande woonruimte en de duur van het verblijf. Appellante verbleef bij een kennis en had nog geen eigen woning. Haar eerdere verblijf in Nederland van ruim zeven maanden was onvoldoende om een duurzame band aan te nemen. Daarom was appellante op de peildata geen ingezetene en had zij geen recht op kinderbijslag.
De Raad wees een proceskostenveroordeling af en bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door A. van Gijzen op 21 juli 2022.
Uitkomst: Appellante had op de peildata nog geen duurzame persoonlijke band met Nederland en was geen ingezetene, dus geen recht op kinderbijslag.