Appellante ontving bijstand van het college van Eindhoven en verbleef tijdelijk bij de ouders van haar partner in een andere gemeente zonder dit vooraf te melden. Het college trok de bijstand over die periode in en vorderde de kosten terug, stellende dat zij haar woonstede had verplaatst.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de tijdelijke verblijfssituatie van appellante een vooropgezet tijdelijk karakter had, en dat zij haar woonstede niet heeft prijsgegeven. Belangrijk was dat zij haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres behield, haar administratie en post daar bleven, en zij terugkeerde na de tijdelijke periode.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en het besluit van 4 maart 2019, en veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht. Het college had onvoldoende bewijs geleverd dat appellante haar woonplaats definitief had gewijzigd.