ECLI:NL:CRVB:2022:1245
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terug te komen op besluit sociale zekerheidswetgeving voor rijnvarende
Appellant werkte van januari 2013 tot april 2014 als rijnvarende op een binnenschip en stond op de loonlijst van een Cypriotische werkgever. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde bij besluit vast dat de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op hem van toepassing was voor deze periode. Dit besluit werd bevestigd in eerdere procedures, waaronder een uitspraak van de Raad in 2019.
Appellant verzocht in september 2019 de Svb om terug te komen op het besluit van maart 2018, stellende dat nieuwe feiten en veranderde omstandigheden aanwezig waren, onder meer door overgelegde e-mails, een vaartijdenboek en een brief van de Belastingdienst. De Svb wees dit verzoek af op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat deze gegevens niet als nieuw konden worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, waaronder dat het Cypriotische recht van toepassing zou moeten zijn en dat de berekening van vaartijden onjuist was. De Raad oordeelde dat de aangevoerde stukken geen nieuwe feiten zijn en dat het besluit niet onmiskenbaar onjuist of evident onredelijk is.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat de Svb onjuist heeft gehandeld. Er bestaat geen grond om terug te komen op het besluit van 20 maart 2018. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de Sociale verzekeringsbank wordt bevestigd.