Appellante ontving vanaf 10 maart 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering. Na werkhervatting per 1 augustus 2017 bij het ministerie van Justitie en Veiligheid, werd haar uitkering per 10 oktober 2017 omgezet in een WGA-vervolguitkering. Het UWV herzag en vorderde terug te veel betaalde uitkeringen over de periode 1 augustus 2017 tot en met 31 januari 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij redelijkerwijs had kunnen weten dat zij te veel uitkering ontving, mede vanwege de hoogte van het bedrag en de informatiebrieven van het UWV. Appellante stelde in hoger beroep dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk was dat zij te veel ontving en dat zij haar inkomsten steeds had doorgegeven.
De Raad oordeelt dat het voor appellante in de periode 1 augustus tot 10 oktober 2017 redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij te veel uitkering ontving, maar dat het UWV onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit ook gold voor de periode vanaf 10 oktober 2017 tot en met 31 januari 2019. De herziening en terugvordering over die latere periode zijn daarom in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij het beroep gegrond wordt verklaard.