ECLI:NL:CRVB:2022:1027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens beroepsmatige hennepteelt
Appellant ontving bijstand sinds 2010 en werd op 13 juni 2019 betrapt op het exploiteren van een hennepkwekerij in zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders van Midden-Groningen trok daarop de bijstand over de periode 24 januari 2019 tot 13 juni 2019 in en vorderde €5.345,97 terug wegens het niet melden van de hennepteelt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij de hennep voor eigen gebruik teelde en dat hij zich niet hoefde te belasten vanwege het nemo tenetur-beginsel, mede gezien de bijzondere positie van de burgemeester. De Raad verwierp dit betoog en oordeelde dat bijstandsgerechtigden beroepsmatige hennepteelt moeten melden en dat het nemo tenetur-beginsel niet geldt voor de inlichtingenplicht ter vaststelling van rechtmatigheid van bijstand.
Daarnaast stelde appellant dat de periode van hennepteelt onjuist was vastgesteld. De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellant tegenover politie en sociale recherche voldoende feitelijke grondslag boden voor het standpunt van het college over de exploitatieperiode. Het hoger beroep faalde en de intrekking en terugvordering werden bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens beroepsmatige hennepteelt worden bevestigd.