ECLI:NL:CRVB:2021:877
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid arbeidsvermogen en verlaging Wajong-uitkering
Appellant ontvangt sinds 2012 een Wajong-uitkering vanwege angst- en stemmingsklachten en een lichte verstandelijke beperking. Het UWV heeft in 2016 vastgesteld dat appellant geen arbeidsvermogen heeft, maar dat dit niet duurzaam is, en heeft daarom de uitkering per 1 januari 2018 verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij duurzaam arbeidsongeschikt is en dat de verlaging onterecht is.
De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende had onderbouwd dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was, mede vanwege het ontbreken van motivatie voor behandeling door appellant en het feit dat intensieve behandeling verbetering kan bieden. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat de medische onderbouwing onvoldoende was en dat eerdere behandelingen geen resultaat hadden opgeleverd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en het UWV. De Raad wijst op het beoordelingskader voor duurzaamheid van arbeidsvermogen en benadrukt dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is als verbetering mogelijk is. De Raad stelt vast dat appellant geen progressief ziektebeeld heeft en dat behandeling, ondanks eerdere beperkte intensiteit, nog steeds mogelijkheden tot verbetering biedt.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn van vier jaar in de procedure met ruim twee maanden is overschreden, voornamelijk in de bestuursrechterlijke fase. De Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van €500 en tot betaling van proceskosten van €267 aan appellant. De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon per 1 januari 2018 wordt bevestigd.