ECLI:NL:CRVB:2021:746

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 maart 2021
Publicatiedatum
2 april 2021
Zaaknummer
19/4939 WMO15-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging proceskostenveroordeling in zaak huishoudelijke ondersteuning Wmo 2015

Appellante had bezwaar gemaakt tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam omtrent de omvang van haar huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college had haar 4,5 uur per week zorg in natura toegekend. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat de toegekende uren onvoldoende waren en dat zij recht had op 5 uur per week huishoudelijke ondersteuning, mede gelet op haar beperkingen en gewijzigde leveringsplannen. Tevens betwistte zij de proceskostenveroordeling door de rechtbank.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellante niet met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk had gemaakt dat de ondersteuning ontoereikend was. Wel oordeelde de Raad dat de rechtbank ten onrechte geen rekening had gehouden met een schriftelijke reactie van appellante bij de proceskostenberekening, waardoor de proceskostenveroordeling gedeeltelijk werd vernietigd.

De Raad veroordeelde het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van €1.335,- en bepaalde dat het college het in hoger beroep betaalde griffierecht van €128,- aan appellante moet vergoeden. Hiermee werd het geschil over de omvang van de huishoudelijke ondersteuning definitief beslecht, waarbij het toegekende aantal uren als toereikend werd bevestigd.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat 4,5 uur huishoudelijke ondersteuning toereikend is en vernietigt de proceskostenveroordeling, waarbij het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

19.4939 WMO15-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2019, 18/5851 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 17 maart 2021
Zitting hebben: L.M. Tobé als voorzitter en D. Hardonk-Prins en R.M. van Male als leden
Griffier: M.E. van Donk
Ter zitting is namens appellante mr. G.S.S. de Kok, advocaat, aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Keyzer.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor wat betreft de proceskostenveroordeling, voor zover aangevochten;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.335,-;
  • bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- vergoedt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Bij besluit van 10 januari 2018, gewijzigd bij besluit van 14 maart 2018, heeft het college appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een maatwerkvoorziening verstrekt voor huishoudelijke ondersteuning in de vorm van zorg in natura voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 28 maart 2021.
2. Bij besluit van 11 oktober 2018 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 januari 2018 gegrond en het bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2018 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld.
3. Bij besluit van 13 mei 2019 (bestreden besluit 2) heeft het college bestreden besluit 1 ingetrokken. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2018 wederom gegrond verklaard. Het college heeft het besluit van 14 maart 2018 aangevuld in die zin dat aan appellante 4,5 uur per week huishoudelijke ondersteuning wordt verstrekt. Het college heeft zich daarbij aangesloten bij de uitspraak van de Raad van 20 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:982, die is gedaan in een eerdere procedure tussen partijen. Volgens het college zijn de omstandigheden van appellante niet gewijzigd.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 nietontvankelijk verklaard, het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard, met beslissingen over de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat de aanspraak van appellante met de toekenning van 4,5 uur per week voldoende is geconcretiseerd en dat daarmee voldaan is aan de eisen die zijn gesteld in de uitspraak van de Raad van 20 maart 2019. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het toegekende aantal uren onvoldoende is. Met extra wasverzorging, extra vervuiling en de noodzaak van een hoge hygiëne heeft de Raad in de uitspraak van 20 maart 2019 al rekening gehouden. Uitgaande van het CIZ Protocol Huishoudelijke Verzorging heeft verweerder naast de normtijd voor lichte en zware huishoudelijke werkzaamheden en wasverzorging een uur extra toegekend in verband met de individuele omstandigheden van appellante. Hiermee is de verstrekte huishoudelijke ondersteuning toereikend.
5. In hoger beroep heeft appellante, kort samengevat, aangevoerd dat niet wordt voldaan aan de uitspraak van de Raad van 20 maart 2019, dat de omvang van de verstrekte huishoudelijke ondersteuning onjuist is en dat zij, gelet op haar beperkingen en de gewijzigde leveringsplannen, in aanmerking dient te komen voor 5 uur huishoudelijke ondersteuning per week. Daarnaast voert appellante aan dat de proceskostenveroordeling door de rechtbank niet juist is.
6. Het geschil tussen partijen beperkt zich tot bestreden besluit 2 en de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding.
7. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2 en onderschrijft de overweging van de aangevallen uitspraak waarop dat oordeel berust (overweging 6). Ook in hoger beroep heeft appellante niet met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat het verstrekte aantal uren huishoudelijke ondersteuning ontoereikend is.
8. Ten aanzien van de beroepsgrond over de proceskosten wordt als volgt overwogen. Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraken van 31 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7664, en 21 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK2029) moet de uitdrukkelijke, op verzoek van de rechtbank gegeven, schriftelijke reactie op een nader besluit waarop de rechtbank artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van toepassing heeft geacht in de berekening van de proceskosten worden betrokken. Nu de rechtbank heeft nagelaten de reactie van 28 mei 2019 op bestreden besluit 2 te betrekken bij de berekening van de proceskosten, slaagt deze beroepsgrond van appellante en kan de aangevallen uitspraak in zoverre niet in stand blijven. Dit leidt ertoe dat de proceskosten van appellante in beroep moeten worden verhoogd met een bedrag van € 267,- (zijnde een 0,5 punt, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1).
9. Verder bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot € 1.068,- (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde € 534,- per punt) voor verleende rechtsbijstand.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) M.E. van Donk (getekend) L.M. Tobé