Appellante had bezwaar gemaakt tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam omtrent de omvang van haar huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college had haar 4,5 uur per week zorg in natura toegekend. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de toegekende uren onvoldoende waren en dat zij recht had op 5 uur per week huishoudelijke ondersteuning, mede gelet op haar beperkingen en gewijzigde leveringsplannen. Tevens betwistte zij de proceskostenveroordeling door de rechtbank.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellante niet met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk had gemaakt dat de ondersteuning ontoereikend was. Wel oordeelde de Raad dat de rechtbank ten onrechte geen rekening had gehouden met een schriftelijke reactie van appellante bij de proceskostenberekening, waardoor de proceskostenveroordeling gedeeltelijk werd vernietigd.
De Raad veroordeelde het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van €1.335,- en bepaalde dat het college het in hoger beroep betaalde griffierecht van €128,- aan appellante moet vergoeden. Hiermee werd het geschil over de omvang van de huishoudelijke ondersteuning definitief beslecht, waarbij het toegekende aantal uren als toereikend werd bevestigd.