Uitspraak
18.6408 WIA
OVERWEGINGEN
.Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was laatstelijk werkzaam als servicemonteur en meldde zich in december 2011 ziek. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65%, later herzien naar 65-80%. Na een herbeoordeling in 2017 stelde een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant niet geschikt was voor zijn laatste werk en selecteerde functies die geschikt zouden zijn, resulterend in een arbeidsongeschiktheid van 75,28%.
Het UWV besloot in juni 2017 dat appellant vanaf 26 juli 2015 75,28% arbeidsongeschikt was, maar verklaarde het bezwaar van appellant gegrond en stelde het percentage bij op 72,31%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de geselecteerde functies passend waren. Ook was het bijduiden van functies met een andere SBC-code rechtens toelaatbaar.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten, waaronder dat hij niet geschikt zou zijn voor de functies en dat het bijduiden van functies onrechtmatig was. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het medisch oordeel juist was, de functies passend waren en het bijduiden van functies toelaatbaar was. De Raad stelde vast dat er geen sprake was van reformatio in peius en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 26 juli 2015 terecht is vastgesteld op 72,31%.