ECLI:NL:CRVB:2021:484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging evenredigheid boete wegens schending inlichtingenplicht WW-uitkering
Appellant ontving een WW-uitkering en was verplicht wijzigingen in arbeidsuren direct door te geven. Hij meldde pas na drieënhalve maand dat hij vanaf 2 maart 2016 negen uur per week ging werken. Het UWV herzag de uitkering en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen de boete ongegrond en oordeelde dat de boete proportioneel en noodzakelijk was. Appellant voerde aan dat hij geen verwijt treft en dat de boete onredelijk is, mede vanwege zijn persoonlijke omstandigheden.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Het niet nakomen van de inlichtingenplicht is een ernstige overtreding en de boete is passend. Uit het parlementaire onderzoek naar de kinderopvangtoeslag volgt geen reden om het verwijt te verminderen. Ook financiële problemen van appellant vormen geen dringende reden om af te zien van de boete.
De Raad bevestigt de uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De boete van €574,57 wegens schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.