ECLI:NL:CRVB:2021:467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellante vroeg een WIA-uitkering aan na langdurige ziekte, waarbij zij stelde dat zij in dienst was geweest bij [werkgever]. Het UWV voerde een onderzoek uit en concludeerde dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond, omdat er geen bedrijfsactiviteiten waren en geen loonbetalingen plaatsvonden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen dienstverband was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zij wel arbeid had verricht, maar kon dit niet met objectief bewijs onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. De Raad stelde vast dat de arbeidsovereenkomst achteraf was opgesteld en dat de loonstroken inconsistenties bevatten. De Raad concludeerde dat appellante niet voldeed aan haar bewijslast en dat de weigering van de WIA-uitkering en de intrekking van de ZW- en WW-uitkeringen terecht waren. Het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering en intrekking van ZW- en WW-uitkeringen worden bevestigd.