ECLI:NL:CRVB:2021:377
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving bijstand vanaf april 2015 en werd verdacht van het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar ex-partner X zonder dit te melden. Na onderzoek door fraudepreventiemedewerkers en sociale recherche, waarbij onder meer waarnemingen van de auto van X nabij het uitkeringsadres en verklaringen van buurtbewoners werden verzameld, besloot het college de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de intrekkingsperiode onjuist was vastgesteld en dat de waarnemingen en getuigenverklaringen onvoldoende waren. De Raad oordeelde dat de waarnemingen vanaf de openbare weg geen stelselmatige observaties waren en dat de inbreuk op de privacy gerechtvaardigd was. Ook werden de verklaringen van buurtbewoners als voldoende steunbewijs gezien, terwijl de door appellante ingebrachte getuigenverklaringen onvoldoende concreet waren.
De Raad bevestigde dat appellante en X gedurende de gehele te beoordelen periode hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden, waardoor sprake was van een gezamenlijke huishouding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand en terugvordering gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding wordt bevestigd.