ECLI:NL:CRVB:2021:3152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende medisch onderzoek bij beoordeling recht op ziekengeld na eerste ziektejaar
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde het ziekengeld. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard op basis van rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige.
De rechtbank bevestigde het besluit van het UWV, waarbij zij oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig en gemotiveerd waren. Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen werden onderschat en dat onvoldoende rekening was gehouden met recente medische gegevens. Tevens verzocht zij om een onafhankelijk deskundige.
De Raad stelde vast dat in de primaire en bezwaarfase geen spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts had plaatsgevonden, wat volgens vaste jurisprudentie in beginsel vereist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had onvoldoende gemotiveerd waarom hiervan kon worden afgezien. Ook was de motivering omtrent de psychiatrische diagnose ontoereikend.
De Raad concludeerde dat het medisch onderzoek niet volledig en onvoldoende zorgvuldig was, waardoor het bestreden besluit in strijd is met de Awb. Het UWV wordt opgedragen binnen zes weken het gebrek te herstellen door alsnog een spreekuuronderzoek uit te voeren met een verzekeringsarts, waarbij ook de psychiatrische aspecten betrokken worden.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het medisch onderzoek te herstellen door een spreekuuronderzoek met een verzekeringsarts uit te voeren.