ECLI:NL:CRVB:2021:3
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand en boete wegens niet-melding bezit onroerend goed in buitenland
Appellant ontving sinds 2012 bijstand, maar het college ontdekte via onderzoek dat hij sinds 2013 eigenaar is van een onroerende zaak op Curaçao, die niet was gemeld. Het college trok de bijstand met ingang van 19 februari 2013 in en vorderde terugbetalingen, daarnaast werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank had de boete verlaagd tot €5.466,67, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde dit deel van de uitspraak en stelde de boete vast op €5.200, omdat het college ten onrechte was uitgegaan van een te hoog maximumboetebedrag. De Raad oordeelde dat het college terecht uitging van de taxatie van een deskundige en dat de waarde van het onroerend goed het vrij te laten vermogen ruim overschreed.
Verder concludeerde de Raad dat appellant geen melding maakte van het bezit, waardoor het college de bijstand terecht introk en terugvorderde. De Raad wees bezwaren van appellant tegen de hoogte van de boete en de waardering van het onroerend goed af. Tot slot werd het college veroordeeld in de proceskosten en werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op €5.200 en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.