ECLI:NL:CRVB:2021:2962
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onroerend goed in Marokko
Appellant ontving bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag over de periode van 21 januari 2005 tot en met 30 juni 2009. Na een melding van de gemeente Leiden over het bezit van onroerend goed in Marokko, stelde de sociale recherche een strafrechtelijk onderzoek in. Hieruit bleek dat appellant appartementen bezat ter waarde van €308.925,- die niet waren gemeld.
Het college trok de bijstand over de periode in en vorderde de kosten terug. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, onder meer omdat de officier van justitie geen toestemming zou hebben gegeven voor het gebruik van het strafrechtelijk verhoor in de bestuursrechtelijke procedure, en omdat de terugvordering volgens appellant was verjaard.
De rechtbank wees het beroep af en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de toestemming voor het gebruik van het proces-verbaal wel was verleend en dat de verjaringstermijn pas aanving toen het college in 2016 bekend werd met de relevante feiten. De enkele verwijzing naar eerdere gegevens was onvoldoende om eerdere bekendheid aan te nemen. De intrekking en terugvordering blijven daardoor in stand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens onroerend goed in Marokko worden bevestigd en de vordering is niet verjaard.