Uitspraak
21.511 WUBO, 21/512 AOR
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1946, diende in oktober 2020 aanvragen in op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) en de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Beide aanvragen werden door verweerder afgewezen omdat onvoldoende was aangetoond dat appellant persoonlijk oorlogsgeweld had meegemaakt.
De Raad overwoog dat erkenning als oorlogsgetroffene vereist dat de aanvrager persoonlijk betrokken is geweest bij de in de Wubo en AOR genoemde gebeurtenissen. Medische gevolgen kunnen pas aan de orde komen als die persoonlijke betrokkenheid is vastgesteld. Appellant kon geen herinneringen aan dergelijke gebeurtenissen overleggen en er ontbrak objectieve bevestiging van persoonlijke betrokkenheid.
Verhalen van ouders en verklaringen beschreven wel onrust en beschietingen in de regio, maar boden geen concrete aanwijzingen dat appellant zelf direct betrokken was. De Raad bevestigde dat algemene historische context onvoldoende is om persoonlijke betrokkenheid aan te nemen.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de afwijzing van de Wubo- en AOR-aanvragen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wubo- en AOR-aanvragen wordt gehandhaafd.