Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2021:288

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
12 februari 2021
Zaaknummer
18/4495 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 PWArt. 16 PWArt. 2.7 Besluit zorgverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor orthodontiekosten dochter wegens passende voorliggende voorziening

Appellante heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van een orthodontiebehandeling van haar dochter. Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht wees deze aanvraag af, stellende dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een passende en toereikende voorliggende voorziening is voor deze kosten.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de vergoeding vanuit haar zorgverzekeringspakket niet toereikend was en dat zij financieel benadeeld was doordat zij op advies van het college overstapte naar een ander zorgverzekeringspakket met een lagere vergoeding. Tevens stelde zij dat er sprake was van dringende redenen om toch bijzondere bijstand te verlenen.

De Raad oordeelde dat de Zvw, ook indien niet alle kosten worden vergoed, als passende voorliggende voorziening geldt en dat dringende redenen niet aannemelijk waren gemaakt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat het advies van het college niet kon worden opgevat als een toezegging tot bijzondere bijstand en appellante onvoldoende bewijs leverde van financiële benadeling.

De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Limburg, wees het hoger beroep af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wordt bevestigd omdat de Zorgverzekeringswet een passende voorliggende voorziening is en het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Uitspraak

18/4495 PW
Datum uitspraak: 2 februari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 juli 2018, 17/3138 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend en een reactie ingediend naar aanleiding van vragen van de Raad.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gans. Het college heeft zich via een online verbinding laten vertegenwoordigen door mr. W. Huntjens.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Op 31 mei 2017 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend voor de kosten van orthodontiebehandeling van haar dochter.
1.2. Bij besluit van 22 juni 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 augustus 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) is aan te merken als een passende en toereikende voorliggende voorziening voor de kosten van orthodontie als bedoeld in artikel 15 van Pro de PW. Van zeer dringende redenen om toch bijstand te verlenen is niet gebleken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Appellante heeft aangevoerd dat de Zvw in haar geval geen passende en toereikende voorliggende voorziening is omdat van de totale kosten van de behandeling van € 2.344,54 op grond van het door haar afgesloten zorgverzekeringspakket slechts een bedrag van € 1.600,- wordt vergoed. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2. Mede gelet op artikel 2.7 van het Besluit zorgverzekering, is de Zvw in beginsel een toereikende en passende voorliggende voorziening voor de kosten van een tandheelkundige behandeling. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 17 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4230). Dit is ook zo als de gemaakte kosten ‒ zoals ook in het geval van appellante ‒ niet of niet volledig door de voorliggende voorziening worden vergoed (vergelijk de uitspraak van 20 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:814). Dit betekent dat artikel 15, eerste lid, van de PW in de weg staat aan de verlening van bijzondere bijstand voor de tandheelkundige kosten aan appellante.
4.3. Ook de beroepsgrond dat sprake is van zeer dringende redenen om hier toch bijzondere bijstand te verlenen, slaagt niet. Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028). Een noodsituatie is acuut als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Dit is ook vaste rechtspraak (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808). Appellante heeft haar stelling dat het staken van de behandeling kan leiden tot blijvend letsel niet onderbouwd met verifieerbare bewijsstukken.
4.4. Appellante heeft op aanraden van het college het Zuid-Limburgpakket afgesloten bij zorgverzekeraar VGZ, bestaande uit een basisverzekering en een aanvullende verzekering. Zij wijst erop dat zij op grond van de aanvullende verzekering een vergoeding van maximaal € 1.600,- krijgt voor de kosten van orthodontie, terwijl zij op grond van haar voormalige aanvullende verzekering een vergoeding van maximaal € 2.500,- had kunnen ontvangen. Appellante voert aan dat zij als gevolg van het advies van het college, dat bij haar het vertrouwen heeft opgewekt dat het afsluiten van de verzekering op basis van het ZuidLimburgpakket voordelig zou zijn, financieel is benadeeld en dat het college gehouden is om bijzondere bijstand te verstrekken voor het verschil tussen de gemaakte kosten en de maximale vergoeding op grond van het Zuid-Limburgpakket.
4.5. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op 4.2 en 4.3 was het college in beginsel niet bevoegd om appellante bijzondere bijstand toe te kennen voor de kosten waarvan zij vergoeding heeft gevraagd. Naar aanleiding van het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel wijst de Raad er voorts op dat, daargelaten dat appellante ook ter zitting van de Raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door de overstap financieel benadeeld is, voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in de eerste plaats is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit volgt uit de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559). Het advies van het college aan appellante om het ZuidLimburgpakket af te sluiten bij zorgverzekeraar VGZ is niet te beschouwen als een toezegging, uitlating of gedraging waaruit appellante kon en mocht afleiden dat voor kosten die niet door dat pakket worden gedekt bijzondere bijstand wordt verleend.
Appellante heeft tot slot ook niet gesteld dat zij naar aanleiding van het aanbod voor de verzekering op basis van het Zuid-Limburgpakket contact met het college heeft gehad specifiek over de orthodontiebehandeling van haar dochter. Het had op de weg van appellante gelegen om zelf onderzoek te doen naar de omvang van de vergoeding op grond van de aanvullende verzekering voor de kosten van orthodontie.
4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van Y. al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2021.
(getekend) M. ter Brugge
(getekend) Y. al-Qaq