Appellant ontving bijstand sinds november 2016, maar na een anonieme melding startte het college een onderzoek naar zijn woonsituatie. Uit het onderzoek bleek dat appellant vanaf juni 2017 niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, onder meer door extreem laag waterverbruik en afwezigheid bij huisbezoeken.
Het college trok de bijstand over de periode juni tot december 2017 in en vorderde de kosten terug. Appellant vroeg opnieuw bijstand aan, maar deze aanvraag werd afgewezen omdat hij niet aannemelijk maakte dat hij sindsdien wel op het uitkeringsadres woonde.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel en oordeelde dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor de intrekking en afwijzing. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.