Uitspraak
8 maart 2019, 18/1846 (aangevallen uitspraak)
PROCESVERLOOP
[naam vader] , vader van appellante, verschenen, bijgestaan door mr. Klijnstra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg op 12 november 2013 een Wajong-uitkering aan na afwijzing van een WIA-uitkering. Het UWV wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat zij op haar zeventiende jaar arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het recht op arbeidsondersteuning niet eerder kon ingaan dan zestien weken na de aanvraag, dus per 5 maart 2014.
In de procedure werd vastgesteld dat appellante per 5 maart 2014 in staat was functies te verrichten met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%, gebaseerd op rapporten van verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. Appellante voerde aan dat haar neuroborreliose en ontwikkelingsstoornis tot meer beperkingen leidden, maar bracht geen nieuwe feiten aan.
De Raad oordeelde dat de eerdere functionele mogelijkhedenlijst (FML) juist was vastgesteld en nog geldig was op 5 maart 2014. Omdat appellante toen meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen, bestaat geen recht op Wajong-uitkering. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Appellante heeft per 5 maart 2014 geen recht op een Wajong-uitkering omdat zij meer dan 75% van het wettelijk minimumloon kon verdienen.